Semper Phone

Effortless
LEARNING

  • Improve effortlessly – just by living your life
  • Learn while waiting for your apps to load
  • Recommended by 5 universities
  • Community of over 1,000,000 learners
  • 50,000+ expert-made packs, or create your own
"One of the best learning apps" - CNET
  • Apple Play Store
  • Install Semper from the Play Store
Welkom! Grammatica die wichtigsten starken Verben 1

Welkom! Grammatica die wichtigsten starken Verben 1

Last update 

Wichtige starke Verben p. 217 bis 219

Items (50)

  • bakken, backen

    bakte, bakten, gebakken

  • hangen, hängen

    hing, hingen, gehangen

  • blijven, bleiben

    bleef, bleven, gebleven

  • lezen, lesen

    las, lazen, gelezen

  • kiezen, wählen

    koos, kozen, gekozen

  • beginnen, beginnen

    begon, begonnen, begonnen

  • denken. denken

    dacht, dachten, gedacht

  • komen, kommen

    kwam, kwamen, gekomen

  • krijgen, bekommen

    kreeg, kregen, gekregen

  • moeten, müssen

    moest, moesten, gemoeten

  • hebben, haben

    had, hadden, gehad

  • brengen, bringen

    bracht, brachten, gebracht

  • raden, raten

    raadde, raadden, geraden

  • ruiken, riechen

    rook, roken, geroken

  • zien, sehen

    zag, zagen, gezien

  • breken, brechen

    brak, braken, gebroken

  • eten, essen

    at, aten, gegeten

  • gieten, gießen

    goot, goten, gegoten

  • bieden, bieten

    bood, boden, geboden

  • drinken, trinken

    dronk, dronken, gedroken

  • heten, heißen

    heette, heetten, geheten

  • grijpen, greifen

    greep, grepen, gegrepen

  • laten, lassen

    liet, lieten, gelaten

  • liegen, lügen

    loog, logen, gelogen

  • kopen, kaufen

    kocht, kochten, gekocht

  • nemen, nehmen

    nam, namen, genomen

  • lachen, lachen

    lachte, lachten, gelachen

  • geven, geben

    gaf, gaven, gegeven

  • zullen, werden/sollen

    zou, zouden, -

  • lijden, leiden

    leed, leden, geleden

  • helpen, helfen

    hielp, hielpen, geholpen

  • willen, wollen

    wilde/wou, wilden, gewild

  • gaan, gehen

    ging, gingen, gegaan

  • bijten, beißen

    beet, beten, gebeten

  • lopen, laufen

    liep, liepen, gelopen

  • rijden, fahren/reiten

    reed, reden, gereden

  • bidden, beten

    bad, baden, gebeden

  • worden, werden

    werd, werden, geworden

  • lijken, scheinen

    leek, leken, geleken

  • bewegen, bewegen

    bewoog, bewogen, bewogen

  • mogen, dürfen

    mocht, mochten, gemogen

  • liggen, liegen

    lag, lagen, gelegen

  • doen, tun

    deed, deden, gedaan

  • kunnen, können

    kon. konden, gekund

  • houden, halten

    hield, hielden, gehouden

  • dragen, tragen

    droeg, droegen, gedragen

  • roepen, rufen

    riep, riepen, geroepen

  • genieten, genießen

    genoot, genoten, genoten

  • zijn, sein

    was, waren, geweest

  • kijken, schauen

    keek, keken, gekeken