Semper Phone

Effortless
LEARNING

  • Improve effortlessly – just by living your life
  • Learn while waiting for your apps to load
  • Recommended by 5 universities
  • Community of over 1,000,000 learners
  • 50,000+ expert-made packs, or create your own
"One of the best learning apps" - CNET
  • Apple Play Store
  • Install Semper from the Play Store
Welkom! Grammatica die wichtigesten starken Verben 2

Welkom! Grammatica die wichtigesten starken Verben 2

Last update 

Wichtige starke verben p.219 teil 2

Items (34)

  • zoeken, suchen

    zocht, zochten, gezocht

  • vliegen, fliegen

    vloog, vlogen, gevlogen

  • vallen, fallen

    viel, vielen, gevallen

  • zien, sehen

    zag, zagen, gezien

  • weten, wissen

    wist, wisten, geweten

  • scheiden, scheiden

    scheidde, scheidden, gescheiden

  • vinden, finden

    vond, vonden, gevonden

  • vechten, kämpfen

    vocht, vochten, gevochten

  • schrijven, schreiben

    schreef, schreven, geschreven

  • zwemmen, schwimmen

    zwom, zwommen, gezwommen

  • vergelijken, vergleichen

    vergeleek, vergeleken, vergeleken

  • vragen, fragen

    vroeg, vroegen, gevraagd

  • schijnen, scheinen

    scheen, schenen, geschenen

  • winnen, gewinnen

    won, wonnen, gewonnen

  • zitten, sitzen

    zat, zaten, gezeten

  • schieten, schießen

    schoot, schoten, geschoten

  • varen, fahren

    voer, voeren, gevaren

  • trekken, ziehen

    trok, trokken, getrokken

  • wassen, waschen

    waste, wasten, gewassen

  • slaan. schlagen

    sloeg, sloegen, geslagen

  • vangen, fangen

    ving, vingen, gevangen

  • slapen, schlafen

    sliep, sliepen, geslapen

  • verliezen, verlieren

    verloor, verloren, verloren

  • zingen, singen

    zong, zongen, gezongen

  • verzinnen, ausdenken

    verzon, verzonnen, verzonnen

  • snijden, schneiden

    sneed, sneden, gesneden

  • spreken, sprechen

    sprak, spraken, gesproken

  • vergeten, vergessen

    vergat, vergaten, vergeten

  • zeggen, sagen

    zei, zeiden, gezegd

  • steken, stechen

    stak, staken, gestoken

  • wijzen, zeigen

    wees, wezen, gewezen

  • staan, stehen

    stond, stonden, gestaan

  • werpen, werfen

    wierp, wierpen, geworpen

  • sluiten, schließen

    sloot, sloten, gesloten